overvallen
meervoud/ˌovərˈvɑlə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) bij verrassing iemand belagen of overweldigen
- (ov) bij verrassing een pand (bank, woning e.d.) aanvallen (om bijv. te beroven)De bank hoeft niet meer overvallen te worden als zij bankroet is.
- (ov) (figuurlijk) zodanig verrassen en verbazen dat je er niet direct een antwoord op hebtTijdens hun verblijf in orbit wordt elk van hen op enig moment overvallen door een hevig verlangen: het verlangen om nooit meer weg te gaan.(foto Wout Berger) De pastorie in mijn dromen Het was een indringende ervaring geweest voor mij toen ik op 1 februari 1993 in de auto werd overvallen door het geluid van het eerste over het rampgebied vliegende vliegtuig.Haar simpele antwoord overviel me een beetje.
werkwoord
- (erga) naar een bepaalde kant vallen.De totempaal is overgevallen door de sterke windvlaag.
- (erga) (verouderd) naar de vijand overlopen Arch. (1811) Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811.
Etymologie
*[B] "overval" met de uitgang -en
Vertalingen
Engelsambush, raid, raid
Fransembusquer, effectuer un raid, braquer
Duitsüberfallen, überfallen, überfallen
Spaansemboscar, atracar, acometer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek