overtuiging

vrouwelijk (de)/ˌovərˈtœyɣɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sterke mening of geloof
    Ik ben van overtuiging dat ik gelijk heb.
    "We moeten nadenken over hoe we met die publieke ruimte willen omgaan. Vroeger lag de nadruk op terughoudendheid, gereserveerdheid. Men was wel van een kerk of een levensopvatting, maar er was een soort afspraak om het private en de overtuiging niet al te sterk aanwezig te laten zijn in de publieke ruimte. Zo bleef de publieke ruimte een neutrale, betrekkelijk veilige sfeer."
    Hij was niet veroordelend, in deze kwestie was hij niet alleen uit eigen overtuiging beginselvast, hij was ook decennialang opgevoed door zowel Ingeborg als haar beste vriendin en bovendien zijn schoonzus Christa.

Etymologie

* van overtuigen

Vertalingen

Engelsconviction
Fransconviction
DuitsÜberzeugung
Spaansconvicción
Portugeesconvicção
Zweedsövertygelse