overstap

mannelijk (de)/ˈoverˌstɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handeling van over iets heen te stappen
  2. verkeer (verkeer) verandering van het ene vervoermiddel in het andere
    Van alle passagiers op Schiphol is bijna 40 procent er alleen voor een overstap, op vluchten van KLM is het aantal overstappers zelfs bijna 70 procent.
  3. houten of stenen trapje of laddertje bij een heining of lage muur dat is aangebracht om daar makkelijk overheen te kunnen stappen

Etymologie

*: "overstappen" zonder de uitgang -en

Vertalingen

Engelsconnection, stile
Franscorrespondance, échalier
DuitsUmsteigen, Zauntritt, Mauertritt
Spaanscorrespondencia
Italiaanscoincidenza
Portugeescorrespondência
Russischперела́з
Zweedsstätta