overschoen
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (schoeisel) een (vaak rubberen) schoen die ter bescherming tegen nat en vuil over een andere wordt aangetrokkenDaarna sloeg ze een grote sjaal om haar hoofd, trok overschoenen en de luipaardbontjas aan en was verdwenen.
- condoom (uit: Mieters! Door Wim Daniels)
Vertalingen
Engelsgaloch
Fransclaque
DuitsÜberziegschuh
Spaanschanclo, chanclo de goma, galocha
Italiaansgaloscia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek