overlopen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. tot boven de rand van een vat of dijk gevuld raken.
    Het bad was overgelopen.
    Het kwam er vooral op aan dat hij niet zou overlopen, anders zou mijn slaapzak nog natter worden.
  2. in de strijd van zijde wisselen.
    De slecht betaalde huurlingen liepen op het kritieke moment over naar de vijand.
  3. in elkaar overlopen: verdwijnen van grenzen
    Maar zo was het nu eenmaal in Zweden, het was niet eens veel vreemder geweest om te onderhandelen met de sociaaldemocratische partij, het liep allemaal in elkaar over.
werkwoord
  1. door een onverwacht aantal mensen bezocht worden.
    De Keukenhof werd overlopen met bezoekers met dit prachtige weer.

Vertalingen

Engelsoverflow, defect, overwhelm
Duitsübergehen, überlaufen, überlaufen