overlegging

vrouwelijk (de)/ˈovərˌlɛɣɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderdeel van een administratief proces waarbij een bepaald document wordt overhandigd of getoond
    Huwelijk tussen personen die lijden aan geslachtsziekte, zwakzinnigheid, epilepsie of "genetische gebreken" (zie sterilisatiewet 1933) kunnen {{sic!
zelfstandig naamwoord
  1. afweging van verschillende feiten en meningen gericht op latere handelingen of standpunten
    Lange perceptieve continua komen voor bij een redelijke overlegging, mening of wens. De spreker toont hiermee zekerheid, kalmte en beheersing.

Etymologie

**[B] overléggen