overkomen
/ˌovərˈkomə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) aan iemand iets ~: getroffen worden door een bepaalde gebeurtenis.Hem overkwam een vreselijk ongeluk.Ze vertelde vervolgens hoe vreselijk hij het had gevonden dat zijn kinderen door wat hem was overkomen zo ruw hun jeugd was ontnomen.
- een bepaalde gebeurtenis meemakenDenk je soms dat er een of ander wonder gaat gebeuren? Die overkomen deze familie niet zo vaak.Niet alleen het gebrek aan water was totaal nieuw voor me, ook het helemaal alleen zijn was me – in 43 jaar – nog niet heel vaak overkomen, aangezien ik altijd naar mensen en gezelligheid toe trok.De twee wilden graag online vertellen over de tienerzwangerschap om "met een eerlijk en echt verhaal" tegengas te bieden aan de negatieve reacties die ze hebben gekregen. "Het was niet gepland, maar je bent echt wel het allerbeste dat ons is overkomen", zegt Emma in de video tegen haar zoon.
werkwoord
- (erga) de andere kant bereiken.Het onweer is de rivier overgekomen.
- (erga) meest onbedoeld een bepaalde indruk wekken op iemand anders.Dat kwam over als een hatelijke opmerking.Maar dat zou kunnen overkomen alsof ik met haar dweep, terwijl zij juist fan is van mij.Dat ze nu in onderhandeling waren met het ministerie en de overheid kon misschien vreemd overkomen aangezien de stad Stockholm de eigenlijke opdrachtgever was.
Vertalingen
Engelshappen, cross, come across
Fransarriver
Duitsankommen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek