overhand

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈovərˌhɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de meeste invloed, de meeste macht hebben
    Hij had de gehele wedstrijd de overhand.

Etymologie

* In de betekenis van ‘grootste macht’ voor het eerst aangetroffen in 1285

Vertalingen

Engelsupper hand
Fransavantage
DuitsOberhand
Spaansprevaleciente, dominante
Zweedsöverhand