overgrootmoeder
vrouwelijk (de)/ˈovərɣrotˌmudər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (familie) moeder van oma of opaMijn overgrootmoeder is twee dagen geleden overleden.
Etymologie
*, in de betekenis van ‘moeder van iemands grootvader of grootmoeder’ aangetroffen vanaf 1573
Vertalingen
Engelsgreat-grandmother
Fransarrière-grand-mère
DuitsUrgroßmutter
Spaansbisabuela
Italiaansbisnonna
Russischпрабабушка
Japans曾祖母, 曾/ひいお祖母さん
Poolsprababcia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek