overdadigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het voorhanden zijn van meer dan voldoende van iets; het aanwezig zijn van te veel van iets
    Henning Sjôstrand was toevalligerwijze op het kantoor, hij moest pas na de lunch op de rechtbank zijn, en hij verscheen direct met zijn gebruikelijke overdadigheid.

Etymologie

* afleiding van overdadig