overbrugging

vrouwelijk (de)/ˌovərˈbrʏɣɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het maken van een verbinding tussen twee zaken die niet aan elkaar zitten, ook in figuurlijke zin
    Hij probeerde een overbrugging te maken tussen de vijandige partijen.
    De overbrugging van de Maas was een belangrijke stap in de ontwikkeling van Rotterdam.

Etymologie

* van overbruggen