overbruggen

/ˌovɛrˈbrʏɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets wat niet op elkaar aansluit met elkaar verbinden
    Wij overbruggen die gevaarlijke rivier
    Langs een smal paadje moesten we voetje voor voetje proberen de 20 meter te overbruggen.

Etymologie

* (verouderd werkwoord)