ovendeur

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de deur die een oven afsluit tijdens het bakken en waardoor de voorwerpen die gebakken moeten worden of zijn gebakken zijn de oven in- en uitgebracht kunnen worden
    Snijd de tomaten in vieren en rooster ze met een beetje olijfolie in de oven op 150 graden in 2,5 tot 3 uur tot ze rimpelig zijn. Laat de ovendeur op een kiertje staan zodat het vocht kan verdampen.Het Parool NIENKE DENEKAMP 3 NOVEMBER 2012 [https://www.parool.nl/stadsgids/thuiskok-2012-wordt-het-kip-of-salade~a3341621/ thuiskok-2012-wordt-het-kip-of-salade ]
    Exact 33 minuten later laat de oven een doordringend geluid horen. Als Van Horssen de ovendeur opent, trekt een witte waas de bakkerij in. Twee volle karren met prachtig bruin gebakken broden komen tevoorschijn. Vlug wippen de bakkers de broden iets uit het bakblik. „Dan blijft ook de onderkant knapperig en kunnen ze goed afkoelen.”Reformatorisch Dagblad Gisette van Dalen-Heemskerk 21-01-2013 [https://www.rd.nl/meer-rd/consument/doldraaiende-broden-en-rijzende-croissants-1.281393 Doldraaiende broden en rijzende croissants ]

Vertalingen

Engelswicket, oven door, furnace door
DuitsOfentür