ov-chipkaart

mannelijk/vrouwelijk (de)/oveˈtʃɪpkart/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. betaalpas en vervoersbewijs voor het openbaar vervoer waar een afleesbare microprocessor in zit
    Je moet de ov-chipkaart bij een betaalpoort houden als je in- en uitstapt.
    Hier is ze nog een politiek gevoelig speeltje voor hackers, maar in Londen is de ov-chipkaart trendy en succesvol...

Etymologie

* , geschreven zonder puntjes, met kleine letters en koppelteken volgens spellingregel 17.C (zie onder b 2)