oudoom

mannelijk (de)/'ʌʊtom/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. familie (familie) oom van een ouder, broer van een grootouder
    Een oudoom van mij is frater in Kenia.

Vertalingen

Engelsgreat-uncle
Fransgrand-oncle
DuitsGroßonkel
Spaanstío abuelo
Italiaansprozio
Portugeestio-avô