oude

/ˈɑudə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die oud is
    Dat is voor de ouden net zo belangrijk als voor de jongen.
  2. situatie zoals die er altijd al is geweest
    Menselijke aangelegenheden waren al net zo onveranderlijk als de seizoenen. Keizerrijken bloeiden op en raakten in verval. Perioden van overvloed werden afgewisseld met hongersnoden, maar in essentie bleef alles bij het oude.