osteoporose

vrouwelijk (de)/ˌɔstejopoˈrozə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) botontkalking
    Ongeveer 850.000 Nederlanders (vooral zeventigplussers) hebben last van osteoporose. De opname van calcium in botten wordt bevorderd door vitamine D.Daarnaast is ook vitamine K essentieel voor gezonde en sterke botten. Waarschijnlijk zijn daarbij ook de mineralen kalium en magnesium van belang. Voldoende calcium en vitamine D blijken vooral heel belangrijk voor de aanmaak van sterke botten tijdens de groei. [http://www.parool.nl/amsterdam/is-vruchtensap-even-ongezond-als-frisdrank~a4399223/ www.parool.nl]

Etymologie

*afgeleid van Latijnse 'porosus' poreus en ()

Vertalingen

Engelsosteoporosis
Fransosteoporose
Spaansosteoporosis