ossenleer

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. leer gemaakt van de huid van een os
    Hij ziet ze ruggelings of van terzij, onder hun vilt of bontmuts. Zij dragen eigen gemaakte schoeisels van ossenleer en een soort van slobkousen die met een riempje of een koordje zijn opgebonden onder hun knieën. Zij zijn vergroeid met hun kleeren, die door de buien werden getaand. Zij veranderen die nooit, behalve 's Zondags of voor feestelijke gelegenheden. Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1945(1945) Jozef Muls [https://www.dbnl.org/tekst/_die004194501_01/_die004194501_01_0018.php Boeren-gestalten]