ortolaan
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) lid van de familie der gorzen met groengrijze kop, in Nederland als broedvogel uitgestorven
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1730
Vertalingen
Fransortolan
Spaansescribano hortelano, hortelano
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek