opzetting

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het opgezwellen of of opgezwollen zijn
    Haare Maandstonden waren zeer geregeld - den stoelgang eenigzins traag, en den Eetlust merkelyk verminderd. - Zagte Laxeermiddels hadden de opzetting vermeerderd. - Ik gaf haar een Windbreekend en Zuurverbeterend drankje, dog zonder verligting. (1789)– [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen [https://www.dbnl.org/tekst/_vad003178901_01/_vad003178901_01_0289.php Waarneeming wegens het nut der assa foetida, in de trommelzucht (Tympanites). Door * * * M.D.]

Etymologie

* van opzetten