opvreter

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die op kosten van een ander leeft, profiteur, parasiet, klaploper, uitvreter
  2. iemand die zijn gevoelens niet uit en zich dus opvreet van bijvoorbeeld woede, binnenvetter
    De opvreter zat met samengebalde vuisten en samengeknepen lippen naar het nieuws te kijken.

Etymologie

*afgeleid van opvreten

Vertalingen

Spaansgorrón, parásito