optrekken

/ˈɔptrɛkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door trekken iets naar boven halen
    Als je een riem draagt hoef je je broek niet zo op te trekken.
  2. erga (erga) zich naar een bepaald doel toe bewegen, meestal ten aanval
    Hij trok op naar de stad Samarkand en verwoestte deze.
  3. erga (erga) op snelheid komen
    De auto trok bijzonder snel op.
    Het was een seconde doodstil, waarna de vrachtwagen weer optrok.
  4. erga (erga) verdwijnen of omhoog gaan
    De mist trok op, zodat we zagen waar we waren.
  5. ov (ov) iets opbouwen
    De aannemer trok het bouwwerk in enkele weken op.
    De Nationale 7 is verbonden met de opkomst van de auto in de jaren twintig en dertig. Destijds hadden auto's kleine brandstoftanks en gingen ze vaak kapot. Daarom barst het langs de route van de pompstations en garages, veelal opgetrokken in een betonnen art-decostijl, destijds het toppunt van moderniteit. Vele zijn vervallen, sommige zijn gerestaureerd, zoals een klassiek pompstation in Valence. Het mooiste voorbeeld van deze stijl ligt strikt genomen niet aan de Nationale 7: de Citroëngarage in Lyon.
  6. ov, medisch, scheikunde (ov) (medisch), (scheikunde) vloeistof vanuit een voorraadglas of -pot in een injectiespuit of pipet brengen
    De analist trok 5 milliliter oplossing op in de injectiespuit.
  7. samen met anderen reizen
    Wat een geschenk om met deze dames te hebben opgetrokken.
  8. een oefening voor het bovenlichaam waarbij je je omhoog trekt aan een stang