opstijging

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het oprijzen in de hoogte
  2. gevoel van ongesteldheid
    Het proces van opstijging wordt gestuwd door Eros met zijn enorme impuls en kracht.
    'Zegt u eens, goede vriend, hebt u last van windenlaterij, een zwaar gevoel in de onderbuik en opstijgingen van rotte lucht? 'Nog dieper tastte Bergsma in hem door: hij liet zijn ziel nu los en greep hem bij het ingewand.

Etymologie

*afleiding (nomact) van opstijgen