opstappen

/ˈɔpstɑpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. aftreden, weggaan
    Het inspectierapport, dat onder meer concludeert dat er sprake is van financieel wanbeheer op de school, vormt de belangrijkste onderbouwing voor Slobs vordering dat het bestuur moet opstappen.
    De Britse premier Boris Johnson heeft donderdag aangekondigd op te stappen. Hij blijft voorlopig de taken van premier uitvoeren, totdat er een opvolger bekend is. Johnson lag al geruime tijd onder vuur vanwege een reeks schandalen, zoals het bijwonen van feestjes in coronalockdowns. Het vertrek van een aantal prominente ministers de afgelopen dagen blijkt de druppel te zijn geweest.
    Een wrang gevoel overheerst, maar over één ding zijn veel Groningers het eens: ‘Rutte moet opstappen’. [https://www.nrc.nl/nieuws/2023/02/26/in-groningen-overheerst-een-wrang-gevoel-en-nu-a4158113 www.nrc.nl (27 feb 2023)]
  2. op het zadel van een fiets gaan zitten om te gaan fietsen
    De man liep naar zijn nieuwe fiets, stapte op met een sierlijke zwaai van zijn been en fietste fluitend weg.