opstapeling

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een grote hoeveelheid samenhangende zaken
    Zij volgden niet de holle lijn van de pier maar reden recht naar de kop toe, een opstapeling van stenen.
    Stilstaand onder het bovenlicht, het oog van Hephaestus, neerblikkend in de kookpot en op hem, werd hij naast de wagenpoort recht vooruit opeens een opstapeling van bleek gebeente gewaar, botten, schenkels en kaken.

Etymologie

*afleiding van van opstapelen