oppositie

vrouwelijk (de)/ˌɔpoˈzitsi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verzet, tegenstand
    Het leger ontmoette veel oppositie nadat de tegenstanders erin geslaagd waren te hergroeperen.
  2. politiek (politiek) mensen en partijen die niet tot de regeringspartijen horen
    De oppositie slaagde er toch in veel volgelingen op de been te brengen.
    “Het afschaffen van zoiets als de bed-bad-broodregeling zorgt juist voor meer illegale migranten op straat. Daar moet je als oppositie ongenadig de schijnwerper op zetten.”[https://www.parool.nl/nederland/maak-je-je-zorgen-om-de-democratie-doe-iets-zegt-deze-historicus-anders-speel-je-de-krachten-in-de-kaart-die-deze-waardes-bedreigen~bd128270/ www.parool.nl (8 mrt 2025)]
  3. astronomie (astronomie) een toestand waar twee hemellichamen vanuit het standpunt van de Aarde 180° van elkaar zitten (dus op een rechte lijn zitten met de Aarde ertussenin)

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tegenstand’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1409

Vertalingen

DuitsOpposition
Spaansoposición, oposición
Japans野党
Turksmuhalefet