oppervlakte

vrouwelijk (de)/ˈɔpərˌvlɑktə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vlak dat iets naar boven begrenst
    Vissen met longen moeten aan de oppervlakte van de zee komen om adem te halen.
    De N staat voor neuraminidase, een eiwit aan de oppervlakte van het influenzavirus dat een rol speelt bij het vrijkomen van het virus uit een geïnfecteerde cel.
    De bliksemschicht bevat een enorme hoeveelheid energie waarbij heel veel warmte vrijkomt. De binnenkant van de bliksemstraal kan volgens Weerplaza wel 33.000 graden zijn. Ter vergelijking: de oppervlakte van de zon is ongeveer 5.500 graden. De hitte zorgt ervoor dat de lucht rondom de bliksemschicht uitzet waardoor een schokgolf ontstaat in de lucht. En dat horen wij als de donder.
  2. uitgebreidheid, grootte in m²
    Er zijn dan ook al plannen om het Argentijnse Pierre Auger Observatory uit te breiden tot vijfduizend vierkante kilometer, en er worden fondsen gezocht voor de bouw van Pierre Auger North, met een oppervlakte van twintigduizend vierkante kilometer, in het zuidoosten van Colorado.
    Ze hoeft het niet eens te lezen om zich te herinneren wat erin staat: de oppervlakte van het perceel, de bruikbaarheid van de schuur, de staat van het huis: onbewoonbaar.
    De oppervlakte van een driehoek bereken je door de basis maal de hoogte te delen door twee.

Etymologie

*Afgeleid van vlakte

Uitdrukkingen

  • aan de oppervlakte komenzichtbaar worden
  • onder de oppervlaktein het verborgene

Vertalingen

Engelssurface, area
Franssurface, superficie
Spaanssuperficie, área
Poolspowierzchnia, pole, pole powierzchnii
Zweedsarea