opofferen

/ˈɔpɔfərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) bij noodzaak moeten gebruiken
  2. ov (ov) laten doden in een gevecht
  3. ov (ov) bewust prijsgeven
    Wie zegt dat het het een óf het ander moet zijn? Als je een aantal dingen opoffert en zuinig leeft kom je een heel eind.
    Ik dacht continu aan stoppen, maar had hier zoveel voor opgeofferd en ik wist dat ik maar een keer zo’n kans zou krijgen.
  4. refl (refl) je eigen ondergang aanvaarden voor iets wat je belangrijk vindt
  5. refl, figuurlijk (refl) (figuurlijk) je volledig voor iets inspannen
    ‘Je offert je op als je kinderen hebt, omdat ze je nodig hebben.
    Dan kan hij er staan en zeggen dat hij zich in deze moeilijke tijden et cetera et cetera toch heeft opgeofferd uit liefde voor zowel zijn dochter als de tradities van zijn geslacht.

Vertalingen

Engelssacrifice
Franssacrifier, immoler, sacrifier
Duitsopfern, aufopfern, opfern
Spaanssacrificar, inmolar, sacrificarse