oplichten

/ˈɔplɪxtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) van de bodem opheffen
    Hij lichtte het vloerkleed op.
  2. ov (ov) met bedrog iemand geld afhandig maken
    Hij lichtte hem op en beroofde hem van al zijn spaargelden.
  3. erga (erga) helder worden, meer licht gaan geven
    De hele dag was het vriendelijk en rustig weer geweest, maar nu kwam er vanaf de andere kant van de berg een zwaar onweer op me af dat om de paar seconden fel oplichtte.
  4. gaan glinsteren van plezier
    Bij het horen van het goede nieuws lichtten zijn ogen op.

Vertalingen

Duitsaufheben, beschwindeln, betrügen
Spaansestafar, sisar