oplichten
/ˈɔplɪxtə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) van de bodem opheffenHij lichtte het vloerkleed op.
- (ov) met bedrog iemand geld afhandig makenHij lichtte hem op en beroofde hem van al zijn spaargelden.
- (erga) helder worden, meer licht gaan gevenDe hele dag was het vriendelijk en rustig weer geweest, maar nu kwam er vanaf de andere kant van de berg een zwaar onweer op me af dat om de paar seconden fel oplichtte.
- gaan glinsteren van plezierBij het horen van het goede nieuws lichtten zijn ogen op.
Vertalingen
Duitsaufheben, beschwindeln, betrügen
Spaansestafar, sisar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek