oplegger

mannelijk (de)/ˈɔplɛɣər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een aanhangwagen, die geen eigen vooras heeft en waarvan dus een belangrijk deel van het gewicht op het trekkend voertuig (de trekker) rust
    Nadat de trekker-opleggercombinatie de bestemming had bereikt kon de trekker direkt een nieuwe vracht ophalen terwijl de oplegger nog gelost moest worden.
    Elke trekker kan met elke oplegger rijden.
    De negen trucks werden dertig trucks en vijftig opleggers. Er kwamen huiftrailers bij, diepladers, semi-diepladers en sinds een tijd ook windmolenvervoer. Nu verzorgt Bolk (uit Almelo)transporten in Frankrijk, Schotland, Italië, Duitsland, met driehonderd man en 150 ‘trekkende’ en 450 ‘getrokken eenheden’. NRC Annemarie SterkCarola Houtekamer 18 november 2016

Etymologie

* van opleggen