opladen
/ˈɔpladə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een materiële lading op iets aanbrengenDe pakezels waren al opgeladen.
- (ov) een elektrische lading op iets aanbrengenIk ben bezig de batterij op te laden.Het apparaat – niet de lichtste optie met zijn 178 gram – was even groot als een Snicker en hoefde maar een keer per week opgeladen te worden.Ik had een grote powerbank die mijn telefoon 12 keer kon opladen, dus besloot ik het vanaf toen alleen met digitale hulpmiddelen te doen.
Vertalingen
Engelsload, load
Franscharger, charger
Duitsladen, laden
Spaanscargar, cargar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek