opjagen

/ˈɔpjaɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) uit zijn schuilplaats verdrijven
  2. ov, refl (ov), (refl) gestresst maken, gek maken, iemand zich (nodeloos) doen haasten onder druk

Vertalingen

Engelschase, drive, drive on
Spaansacuciar, arrear, impeler