ophangen
/ˈɔphɑŋə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets in een hangende positie bevestigenIk heb je schilderijtje opgehangen.Algauw liepen ze achter elkaar door de schuifdeuren terug naar de eetzaal, waar Sverre in het geheim het ophangen van de schilderijen had voorbereid.
- (inerg) een telefoongesprek beëindigenHij werd kwaad en hing op.
- (ov) aan de galg opknopenHij werd vroeg in de ochtend opgehangen.
Uitdrukkingen
- een verhaal ophangen
Vertalingen
Engelssuspend, hang up, hang
Fransraccrocher, pendre
Duitsaufhängen, auflegen, aufhängen
Spaanscolgar, suspender, tender
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek