opgeven
/ˈɔpxevə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (intr) de strijd/competitie e.d. staken en zich gewonnen gevenNa die verkeerde zet zag de beroemde schaakspeler zich gedwongen op te geven.
- (ov), (financieel) als in- of uitgavepost vermeldenDeze kleine inkomsten hoeven niet opgegeven te worden op uw belastingbiljet.
- (inerg) hoog ~ over: de loftrompet steken over iets of iemandHij gaf hoog op over die toespraak van Obama.
- (ov) ergens mee stoppen/niet mee doorgaan, niet voortzettenToch was hij ook eigen plannen gaan ontwikkelen. Hij wilde weg, hij voelde wel wat voor Tonkin, al wist hij zelf niet goed waarom. In ieder geval wilde hij het beroep van boekhouder opgeven en iets anders gaan doen. {{Aut|Lemaitre, PierreNooit stoppen en opgeven op een slechte dag, had ik gehoord.
- (ov) als verloren beschouwenDe strijders zullen bepaalde gebieden in de toekomst toch moeten opgeven.
- (ov) aanreiken
- (ov) de opdracht geven om, opdragen
Vertalingen
Engelsgive up, report, speak highly
Duitsaufgeben
Spaanscejar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek