opgeven

/ˈɔpxevə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) de strijd/competitie e.d. staken en zich gewonnen geven
    Na die verkeerde zet zag de beroemde schaakspeler zich gedwongen op te geven.
  2. ov, financieel (ov), (financieel) als in- of uitgavepost vermelden
    Deze kleine inkomsten hoeven niet opgegeven te worden op uw belastingbiljet.
  3. inerg (inerg) hoog ~ over: de loftrompet steken over iets of iemand
    Hij gaf hoog op over die toespraak van Obama.
  4. ov (ov) ergens mee stoppen/niet mee doorgaan, niet voortzetten
    Toch was hij ook eigen plannen gaan ontwikkelen. Hij wilde weg, hij voelde wel wat voor Tonkin, al wist hij zelf niet goed waarom. In ieder geval wilde hij het beroep van boekhouder opgeven en iets anders gaan doen. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Nooit stoppen en opgeven op een slechte dag, had ik gehoord.
  5. ov (ov) als verloren beschouwen
    De strijders zullen bepaalde gebieden in de toekomst toch moeten opgeven.
  6. ov (ov) aanreiken
  7. ov (ov) de opdracht geven om, opdragen

Vertalingen

Engelsgive up, report, speak highly
Duitsaufgeben
Spaanscejar