opdringen
/ˈɔbdrɪŋə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) dringend zich in een bepaalde richting begevenDe vijand was een heel stuk opgedrongen.
- (ditr) iemand tegen zijn zin (iets) doen aannemen, tegen heug en meug opleggenHij kreeg een positie opgedrongen die hij liever niet bekleedde.
- (refl) zich ~: met kracht oprijzen, voor de verbeelding komen
- (refl) zich ~: met alle middelen iemands gezelschap of genegenheid zoeken
Vertalingen
Spaansconstreñir, imponer, obligar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek