opdringen

/ˈɔbdrɪŋə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) dringend zich in een bepaalde richting begeven
    De vijand was een heel stuk opgedrongen.
  2. ditr (ditr) iemand tegen zijn zin (iets) doen aannemen, tegen heug en meug opleggen
    Hij kreeg een positie opgedrongen die hij liever niet bekleedde.
  3. refl (refl) zich ~: met kracht oprijzen, voor de verbeelding komen
  4. refl (refl) zich ~: met alle middelen iemands gezelschap of genegenheid zoeken

Vertalingen

Spaansconstreñir, imponer, obligar