oorworm

mannelijk (de)/ˈorwɔrᵊm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) benaming voor insecten uit de orde , die grote tangvormige uitsteeksels (cerci) aan het einde van het achterlijf hebben
    Het meisje vond oorwormen ontzettend vies.
  2. gewone oorworm ()
    De plaag ontstaat een paar maanden later, vroeg in het voorjaar. Natuurlijke vijanden als de oorworm of het lieveheersbeestje van de roze appelluis zijn er dan meestal nog niet, maar met het dak erop voorkom je een plaag alsnog.

Etymologie

*van Middelnederlands "oorworm", op te vatten als , omdat dit insect vroeger in vermalen vorm als geneesmiddel tegen gehooraandoeningen werd gebruikt of vanwege de misvatting dat de gewone oorworm () bij voorkeur bij mensen in de oren zou kruipen

Vertalingen

Engelsearwig
Fransperce-oreille
DuitsOhrwurm
Spaanstijereta