oor

onzijdig (het)/or/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
    Door de unieke vorm van het oor wordt het geluid net anders vervormd afhankelijk van de richting. En uit de verschillen tussen de oren kan het brein afleiden waarvandaan het komt.
    Na een tijdje merkte ik duidelijk aan mijn oren dat we van zeeniveau naar duizend meter hoogte aan het klimmen waren.
  2. huishouden (huishouden) handvat waaraan men een stuk servies kan optillen
    Zit het oor aan een koffiekopje aan de linker- of aan de rechterkant?
zelfstandig naamwoord
  1. numismatiek (numismatiek) oude Nederlandse munt ter waarde van een kwart stuiver ofwel twee duiten

Etymologie

*[B] Verbastering van oord in de betekenis "kwart", omdat het een vierde van de stuiver waard was

Uitdrukkingen

  • De oren spitsenHeel goed luisteren
  • Luisterend oor aanbiedenAandachtig luisteren naar wat iemand te zeggen heeft
  • De muren hebben orenLet op wat je zegt, iedereen kan het horen
  • Een en al oor zijnHeel aandachtig naar iets luisteren
  • Een draai om de oren geven
  • Een oor te luisteren leggenOnderzoeken wat een ander van iets vindt
  • Een snee(tje) in het oor hebbenDronken zijn
  • Er wel oren naar hebbenGeïnteresseerd zijn in iets (zoals een voorstel, aanbod etc.)

Vertalingen

Engelsear
Fransoreille
DuitsOhr, Henkel
Spaansoreja, oído
Italiaansorecchio
Portugeesorelha
Japans
Turkskulak
Poolsucho
Zweedsöra, öra
Deensøre