oogst
mannelijk (de)/oxst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het van het land halen van het rijpe gewasDe oogst is in volle gang.Vroeger waren de jaarfeesten zeer talrijk. Feest, bij voorbeeld voor het terugkerende licht van de zon, begin van de lente, dank voor de oogst. Iets hiervan vinden wij terug in de bekende christelijke feesten.Zeewierboerderij op de Noordzee haalt eerste oogst binnen.
- de opbrengst behaald met [1]De oogst is bijzonder rijk dit jaar.Deze oogst zou ons enige fortuin in vele jaren kunnen zijn.En als je je beklaagt over hoe weinig je van de oogst krijgt, of over de slechte staat van je huis, dan komt dat la duquesa en haar mannen altijd ter ore.
Etymologie
*Afgeleid van augustus.
Uitdrukkingen
- De oogst geschoren, de winter geboren — Wanner de oogst van het veld is beginnen de dagen danig te korten; tegen september is het al veel vroeger donker en het weer is minder goed
Vertalingen
Engelsharvest
Fransrécolte
DuitsErnte
Spaanscosecha, recolección, siega
Deenshøst
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek