onzelfzuchtigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iemand zijn eigen belangen opzij kan zetten
    Freya's lippen trilden een beetje en ik was diep getroffen, zoals altijd, door deze tekenen van haar onzelfzuchtigheid.
  2. een handeling, een gewoonte of de bereidheid om iets bij te dragen zonder er zelf baat bij te hebben

Etymologie

*afleiding van onzelfzuchtig