onwelwillendheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin men zich verzet om de redelijke wensen van een ander in te willigen
    Hoewel westerse onwelwillendheid, stroperige bureaucratie en Oost-Indisch dove musea de boventoon voeren in het boek, is schrijver en onderzoeker Van Beurden hoopvol. Teruggave van roofkunst lijkt de norm te worden: Frankrijk kondigde baanbrekende plannen aan, Nederland volgde en verschillende musea zijn bereid topstukken af te staan.

Etymologie

* afleiding van onwelwillend

Vertalingen

Engelsunkindness, uncooperativeness