onuitvoerbaarheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het onmogelijk zijn van iets; de eigenschap van iets dat het niet gedaan kan worden
    Hij vertelde over de vele plannen die ontworpen en vervolgens verworpen waren wegens de onuitvoerbaarheid ervan, en over de aanvankelijke tegenwerking en teleurstellingen die overwonnen moesten worden om het wél realiseerbare Vaillant-plan daadwerkelijk uit te voeren.

Etymologie

* afleiding van onuitvoerbaar