ontwortelen

/ɔntˈwɔrtələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) losrukken uit de grond (van planten)
    De olifant was juist bezig een paar bomen te ontwortelen.
  2. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) losmaken van basis of bestaansgrond, het voortbestaan onmogelijk maken
    En voor wie wel werkt heeft: technologische aardverschuivingen en bezuinigingen bij overheden ontwortelen her en der bedrijfstakken.
  3. intr (intr) geen omgeving meer hebben waar je je thuisvoelt
    Wie verhuist vindt niets meer terug, herbegint als kind. Verhuizen is vervreemden, ontwortelen.

Etymologie

* van Middelnederlands "ontwortelen", afgeleid van wortelen , cognaat met "entwurzeln"