ontwijken

/ɔntˈwɛikə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) ontsnappen uit een insluiting
    Er is veel lucht uit de band ontweken.
  2. ov (ov) trachten contact te vermijden
    Hij had hem enige tijd weten te ontwijken, maar liep nu tegen de lamp.
    Ik kon het niet langer uitstellen of ontwijken, deze nacht zou ik eraan moeten geloven.

Etymologie

*Afgeleid van wijken