ontvluchten

/ɔntˈflʏxtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) door te vluchten aan iets ontkomen
    Hij was de grote drukte net op tijd ontvlucht.
  2. tweede betekenisomschrijving
    Zin met het ontvluchten in de tweede betekenis erin.
  3. enz.

Etymologie

*Afgeleid van vluchten

Vertalingen

Engelsescape
Spaansescaparse, huir