ontvlambaarheid

vrouwelijk (de)/ɔntˈflɑmbarˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde, scheikunde (natuurkunde), (scheikunde) het vermogen van iets om gemakkelijk in brand te vliegen door bijv. een vonk, vlam of hoge temperatuur
    Langere periodes van droogte en hitte wegens een veranderend klimaat verzwakken de natuur. Dat zorgt voor een hogere ontvlambaarheid van bomen en struikgewas.
  2. figuurlijk (figuurlijk) eigenschap dat iemand door een kleine aanleiding al snel sterke gevoelens heeft en daarnaar handelt
    Tijdens de bijeenkomsten van de Moral Science Club in Cambridge was Wittgensteins ontvlambaarheid een normale zaak. Geen onderwerp of Wittgenstein wist zich er kwaad over te maken.

Etymologie

*, afgeleid van "ontvlambaar"