ontsteken

/ɔnt.'ste.kə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) in vlammen doen opgaan
    Zij ontstaken een vreugdevuur.
  2. erga (erga) overdrachtelijk: heet worden van woede
    Dat deed hem in woede ontsteken.
  3. erga (erga) geïnfecteerd raken
    Die wond is ontstoken.

Etymologie

*Afgeleid van steken .

Vertalingen

Duitsentzünden, entzünden
Spaansinflamar, encender, infectarse