ontoereikendheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iemand niet genoeg doet de mate waarin iemand in gebreke blijft
    ABN Amro laat weten dat het de eigen ontoereikendheid betreurt. De bank zegt inmiddels maatregelen te hebben genomen om dit in de toekomst te voorkomen.
    Alsof ik een glimp van iets moois had gezien maar er niet bij kon komen, en dat ik alleen mijn eigen ontoereikendheid daarvan de schuld kon geven

Etymologie

* afleiding van ontoereikend

Vertalingen

Engelslack, insufficiency, shortcoming