onteren
/ɔntˈerə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) van zijn of haar aanzien berovenOok in deze romans worden reuzen bevochten, monsters dodelijk getroffen, dappere daden tegen Sarracenen verricht, ook hier klieft de dappere held op het juiste moment zijn tegenstander het lichaam van boven naar beneden, maar de lezer krijgt de indruk, dat de auteur dit alles gelèzen heeft bij voorgangers. (…) De slechtste zijn die, waarin het begrip van het ridderlijke vrijwel geheel ontbreekt en een ridderlijke stof wordt behandeld met dorperlijke opvattingen, die het ridderwezen onteren en neerhalen.
- (ov) (pregnant) (seksualiteit) (verouderd) dwingen tot geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk (gezegd van vrouwen)En er kwamen Babyloniers tot haar om liefdesgemeenschap met haar te hebben; zij onteerden haar met hun ontucht, en toen zij door hen onteerd was, keerde zij zich van hen af.
Etymologie
*afgeleid van "eren"
Vertalingen
Engelsdishonour
Fransdéshonorer
Duitsentehren
Spaansdesprestigiar, deshonrar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek