onhoudbaarheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets dat niet meer te verdedigen is; iets dat men niet meer kan dulden
    Hij besefte wel de onhoudbaarheid van zijn positie, hij had medelijden met haar, met de kinderen en met zichzelf.
    In de talkshow blikte de minister daarnaast terug op de periode die voorafging aan zijn besluit van deze week om al over drie jaar de gaswinning stop te zetten. Al bij zijn aantreden zag Wiebes de onhoudbaarheid van de situatie in, zegt hij.

Etymologie

* afleiding van onhoudbaar