ongenaakbaarheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vol koel zelfvertrouwen zijn
    Met toespraken en optredens zette zij een koningschap neer dat ertoe deed. Kritiek op haar te groot geachte politieke invloed en op haar ongenaakbaarheid stak de kop op. De populariteit van Beatrix daalde. Met een uitgekiend charmeoffensief (‘Kus in de Jordaan’) keerde zij in 1988 het tij.
  2. iets wat getuigd van koel zelfvertrouwen

Etymologie

* afleiding van ongenaakbaar